

wit is het kenmerk
van alle poëzie
want zo’n rijkdom aan wit
nou… dat heeft proza nie
daarom is dichtwerk
ook niet commercieel
je betaalt voor al dat wit
navenant gauw te veel

men neme wat woorden,
en behoorlijk wat wit
en een goed lopende dreun
waar wat ritme in zit
wil jij je met je gedicht
van een versje onderscheiden?
zorg dan iedere zweem
van rijm te vermijden.
eindrijm of klinkerrijm,
binnenrijm of alliteratie,
het is allemaal vér gezocht:
poëtische beroeps-deformatie.
wie denkt dat iets moet rijmen
zet zich klem in een schema,
wie echt vrijuit wil dichten
focust liever op een thema.
want een thema biedt
aan de lezer een basis.
zo’n thema communiceert ook
dat het niet voor Sinterklaas is.
een thema maakt van de lezer
zelf een beetje een poëet.
van wat die er zoal in leest,
had de dichter zelf vaak geen weet.
de rest van het dichtwerk
heeft nauwelijks voeten in aarde:
beelden of metaforen hebben
weinig toegevoegde waarde.
het klinkt misschien absurd
maar op het eerste gezicht
weerspiegelt zich in de titel
de essentie van een gedicht.
de rest is gedoe en leidt maar af
van het puur en maagdelijk wit
waarin uiteindelijk de kern
van álle poëzie besloten zit.

ofwel
alvorens te beginnen
zo hoort dat: een kuch
niet vol in de hand
maar beschaafd op de rug
een enkeling kucht
soms ten tweeden male
want een dichter moet je
met aandacht betalen
met zo’n simpel kuchje
creëert de dichter zijn wit
het schept de stilte
waar zijn poëzie in zit
dat wit is kenmerkend
voor alle poëzie
want zo veel wit
dat heeft proza nie
en leest een dichter
zijn vers zelf uit de hand
dan creëert zo’n kuchje
wat stilte als rand
het publiek houdt bij afspraak
de adem dan in
uit respect voor de dichter
en … anders mis je’t begin


klein bedankje
van een bankje
dat hier zo
graag wou staan
om van het uitzicht
te genieten:
de verte en
de volle maan.
klein bedankje
van een bankje:
ik heb hier nu
een vaste baan,
bied een zitplaats,
rust en ruimte,
voor ieder die hier
stil wil staan.
dus wees welkom,
rust uit en geniet.
één ding wil ik vragen:
neem alles weer mee
wat u lopend, fietsend
tot hier kon dragen…
zó veel… weegt het
straks immers niet?
bankje geplaatst aan Averbode-weg in Sterksel – foto: Leny van Lierop

je bent klein, maar je staat er,
reikhalzend naar lucht en licht
doortastend op zoek naar water,
want groeien is immers je plicht
je bent klein, maar helaas een berkje,
dus ook al wil je nog zo graag groeien
elk jaar weer opnieuw merk je
dat wij ons best doen je uit te roeien
we trekken je uit, met wortel en al
we komen je uitschot snoeien
we kappen, we zagen, we hakken:
t’is duidelijk dat jij hier niet mag groeien
jij bent natuurlijk ook wel natuur
maar jij past hier niet in ons plaatje
dus spelen wij voor gretige grazers
en bezemen zo ons eigen straatje
want wíj zijn met de natuur begaan
en jij hebt hier geen recht van bestaan
want Strabrecht was vroeger altijd al hei
en daar horen nu eenmaal geen berkjes bij
maar berkje, hou vol, er gloort hoop
misschien gaan we noodgedwongen inzien
dat we de natuur zijn gang moeten laten gaan
en dan mag jij voortaan ook blijven staan
want zoals de hei hier nu vergroent,
zal het klimaat ook onze visie vergrijzen:
en dan komt jouw kans, klein berkje,
om als groene remedie je witte kracht te bewijzen.


de weg naar binnen
een labyrint focust, kent geen twijfels of remmen
de geometrie leidt je, zonder te beklemmen
nu linksom, dan rechtsom, volg enkel je voeten
soms ben je er bijna, blijk je toch verder te moeten
zet louter je stappen, los van ratio of stremming
het labyrint brengt je zo dichter bij je bestemming
met elke stap wortelt het vertrouwen daarbinnen:
je pad wordt gemaakt door de intentie te beginnen

wie o wie woekert alles naar de kloten
wie o wie zijn hier de invasieve exoten
wie gedoogt op het nippertje van te laat
voor alle mohikanen zo’n regel reservaat
wie o wie heeft hier alles kaal gevreten
wie bet-wetert tegen beter weten
wie maakt heren, wie maakt knechten
wie verdeelt hier schraalhans rechten
wie o wie heeft hier zondagse idealen
maar doordeweeks liefst niet betalen
wie mag hier leven, wonen, groeien
en wie gaan we kappen, weren, roeien
wie o wie – ‘kweet ’t wel, ‘kweet ’t nie
geef de natuur toch liever zelf de regie



vanuit de schemer tussen vrouw en kind
toont zich de wereld ziende blind
wie haar van boven gade slaat
ziet al wat op en onder gaat
geen weet van goed, geen weet van kwaad


laat mijn binnen hier nou buiten
laat die deur zich zelf weer sluiten
ik hoef nog niet, ik wil geen weten
laat de wereld mij vergeten
1994 en laat mij zelf mijn dingen heten


geen bloem gaat onder in haar bloei
geen vrucht verloren in haar groei
onder de schaduw van vergeten
zal wie vrouw of moeder zal gaan heten
zich altijd ook nog meisje weten


de wereld om me heen vergeten
even van niets en niemand weten
laat ik de zon nu overal binnen
en laat haar stralen mij beminnen
dan kan straks alles als nieuw beginnen


ik ken geen wil tot heilig moeten
geen koers, geen weg, geen vaste route
enkel leiding van het stille weten dat
onuitgesproken ergens in mij zat:
mijn stappen maken zelf het pad


ik ken mijn eigen dageraad
het kiezend weten van een gewaad
waardoor mijn ik zijn zelf hervindt
het hoofd vol nacht weer samenbindt:
vandaag word ik een mantelkind


heimwee naar mijn twaalf jaren
naar op mijn rug naar wolken staren
mijn haren los, vrij als een kind
en de wereld – die mijn zicht nu blindt
niet groter dan wat ik zelf hier vind.


altijd onderweg tussen de spiegel en de kast
op zoek naar de vorm, op zoek naar houvast
voor je zelf, je beleving, je gevoel, je idee
maar dat telt uiteindelijk niet meer mee
want je volgt als vanzelf de weg die je past


de wereld van buiten belemmert het zicht
de wirwar van woorden verblindt me te licht
in de doolhof waar horen en zien me vergaan
wil ik op grond van mijn eigen weten bestaan
en blijf ik liefst buitenste binnen gericht


met je eigen verdriet ben je altijd alleen
voortdurend gebonk door merg en been
een vragende maalstroom van gedachten
waarin geen antwoord meer kan verzachten
dan de warmte van ‘n hand of arm om je heen


op het grensvlak waar hemel en aarde raken
doet linksom of rechtsom niet langer ter zake
waar water en vuur zij aan zij gaan
tref je naast vrienden natuurlijk ook vijanden aan
wat licht geeft, zal immers ook schaduwen maken


het vaag vermoeden waar vandaan
staart mij soms plots van binnen aan
verbreekt de draden om mij heen
laat me los laat me even alleen
met waar ik ooit weer terug zal gaan


ooit kan ik met mijn ogen dicht
meer zien dan in het dagelijks licht
ooit kan ik diep tussen mijn oren
meer waarheid achter woorden horen
maar vaker bid ik slechts om dit evenwicht


MAN
in bot en brein nog aan de jager verwant
tussen woorden en wetten op daden gebrand
voor de eer, de winst of de verovering
maar het hart neemt de kop voor betovering
geboeid door de fluister van een zachte hand
VROUW
zij weet zich soms zwak – tussen velen alleen
oude aardkracht splintert in twijfels uiteen
in de spiegel hoe anderen haar woorden bedoelen
maar vindt helend houvast in enkel het voelen
van de woordloze steun van een arm om haar heen


eenmaal uit de plooi van mijn bestaan
kan ik de hele wereld aan
maar vaker teer ik op het verlangen
op de hoop de vonk weer op te vangen
van het vrouwenvuur dat de kou kan verslaan


voor al de naamloze plekken onder grauwe gronden
voor al wat geen meisje of jongen kon heten
voor ieder die zich geen vader of moeder mocht weten
voor ieder die hoop zoekt in schaduw van vergeten
want al wat liefde bindt – wordt ook door rouw gebonden


samen verbonden in het niet willen binden
elkaar gevonden in de wil steeds te vinden
trouw aan jezelf is trouw aan mekaar
want groeien doe je met elkaar
en in denken en doen worden woorden waar

’n volgende keer,
misschien wel meer

